Voorbeelden van het gebruik van Wurgen in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Je kan gaan zwemmen… harmonica spelen en iemand wurgen.
Hoeren wurgen nooit klanten.
Ik ben sterk, ik kan je wurgen.
Of wat? Ga je me wurgen zoals de anderen?
Ik zal die kutkat met m'n blote handen wurgen.
Iets was hem aan het wurgen.
Een blessure die hij heeft kunnen oplopen door het wurgen van het slachtoffer?
Wat was ik kwaad. Ik had ze wel kunnen wurgen.
Ze wurgen.
Als je niks doet, wurgen ze je.
Ik wou grenzen verleggen, zij wou me wurgen.
Jonge vrouwen wurgen met een pianosnaar.
Het wurgen van zijn slachtoffers met draad.
Wurgen is geen dergelijk plan.
Wurgen, steken.
Waarom iemand wurgen die al dood is?
Mijn gasten mogen elkaar niet wurgen.
Je bedoelt thee drinken met Jezus of Hitler wurgen in zijn wieg?
Iedereen kan iemand in de badkuip wurgen.
Ze zeggen niets over het wurgen en de slagen.
