Voorbeelden van het gebruik van Ik win in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik win in één zet.
Nu heb ik jou, ik win.
Ik win deze oorlog in drie dagen.
Ik win wat geld voor ons.
Bedoel je, dat ik weeral win?
Ik win net zo min 'n wetenschapsmarkt… als jij 'n football-beurs.
Mijn telefoon ligt in de plee, maar ik win.
Want dat zijn we aan het doen, ik win dat.
Dit is mijn test en ik ga het eerlijk winnen of ik win gewoon niet.
Bouw 'n wagen en ik win Daytona.
Hij krijgt geen extra pair op tafel en ik win de enorme pot.
Goed, omdat ik win.
Dat betekent dat ik win.
En ik win.