Examples of using Aarzelen in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
We zullen noch aarzelen noch terugdeinzen.
Waarom aarzelen ze?
We zijn aan het aarzelen en zijn op een beschamende manier met een koehandel bezig.
En zonder aarzelen sprong ze naar beneden.
Zo ja, niet aarzelen meer zijn!
Maar ik zal niet aarzelen.
Het volk zal niet aarzelen.
Aarzelen kan haar dood worden.
Je had kunnen aarzelen.
Aarzelen is een stotterstap.
Braca? Je zou niet aarzelen hem te doden!
Nog steeds aarzelen welke van social media platforms te gebruiken?
Verwijder de Search-Gol Toolbar zonder aarzelen van de browser.
Ik zou niet aarzelen.
Zonder aarzelen vraagt Hugo haar.
Wie aarzelt er? Zonder aarzelen.
Tart mij nogmaals en ik zal niet aarzelen.
Jullie aarzelen omdat jullie bang voor ze zijn.
Ze mag nu niet aarzelen.
Je kunt niet aarzelen.
