Examples of using Daan in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ron?' zei Daan.
Het spijt me, Mr Daan.
Hij zou ook naar binnen gevlogen kunnen zijn,' opperde Daan Tomas.
Kim en Daan.
Van Feyenoord werd Daan Smith gehuurd.
Bij jou ook? O, Daan.
Wat? Als je Daan met Ginny ziet?
Daar is je chalet, Daan.
Afgelopen zomer fotografeerden we het huwelijk van Yvonne en Daan.
Laatst bijgewerkt door daan op vr 18 mei,
Daan de Wit:
Daan en ik gaan op hetzelfde avontuur als gisteren.
Daan en ik doen de art direction van het festival.
Prijs/kwaliteit 9 daan de moor, met het gezin.
Daan, familie met volwassen kinderen,
Daan de Wit: Maar wat betekent dat dan?
Daan de Wit:
Daan de Wit:
Daan de Wit:
Daan, je draaft door.
