Examples of using Goedendag in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Goedendag, Mr. Jackson. Schaakmat.
Goedendag, vergetelheid!
Goedendag, Francisca.
Iedereen wint. Goedendag, Mrs. Florrick.
Goedendag mijnheren.
Goedendag, heren. Kan ik jullie helpen?
Goedendag, één, twee.
Goedendag, Humbleiaan!
Goedendag, mevrouw Kurz.
Schaakmat. Goedendag, Mr. Jackson.
Goedendag, dames. Blijkbaar.
Natuurlijk! Goedendag, heren.
Dank u Goedendag, Mr. Adams.
Goedendag, Hachi.
Goedendag, mevrouw. Ik ben notaris Vandekerckhove.
Een goedendag maken bijvoorbeeld vraagt alleen een smid voor de pin.
Goedendag, Mr Stanton.
Goedendag, sheriff.
Goedendag Fahd. Ik heb gebeld.
Goedendag Hank, het was uitstekend om je te ontmoeten.