Voorbeelden van het gebruik van Afbranden in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Iemand wilde de Ark afbranden.
Ik zal haar vinden, al moet ik heel Parijs afbranden.
Zorg dat ze het huis niet afbranden.
Als daar één dierlijk product in zit… Iaat ik alles afbranden.
niet afbranden.
hij Arthur hielp bij het afbranden van de pub.
niet het huis afbranden.
Ze zeiden dat ze het gebouw wilden afbranden.
Iemand wilde het hele Kingdom afbranden.
je z'n huis moest afbranden.
Laten we die samen afbranden.
zag het huis afbranden.
Jij kunt dingen echt goed afbranden.
We dachten dat het huis zou afbranden.
Kennelijk wilde iemand de hole afbranden.
Alles zal spoedig afbranden.
Jullie kunnen de Rijksdag afbranden, dus zo'n akte ook wel.
Ik heb gisteren een gebouw zien afbranden.
Het hele gebouw had kunnen afbranden.
Ik heb zijn huis al bekeken toen ik het wilde afbranden.