Voorbeelden van het gebruik van Cash in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Maar ik heb cash nodig, nu meteen.
Hij had cash nodig… $200.
Cash of creditcard?
Betaalt u cash of met creditcard?
Kun je me iets over de klanten van Cash vertellen?
Cash.- Je probeerde hem te vermoorden.
Cash Money stond bekend als een pronker.
Ja, maar ik heb cash nodig.
Het appartement is cash betaald.
Ik heb geen cash.
Niet rondhangen bij de winkel geen krediet- alleen cash.
Hoe zit het, Cash?
Hé, Cash, hoe gaat het? Cash! .
Alle anderen betalen cash.
Ja. Hey, ik ben Cash.
Onder een valse naam.- Illegale cash.
Je hebt niet genoeg cash.
Ik, Darren, Amerie en Cash, blijkbaar.
Cash, dat ga je niet plaatsen.
En ik wil een half miljoen peso in cash.