Voorbeelden van het gebruik van De tram in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Tijdens de wintermaanden rijdt de tram alleen op zaterdag,
U kunt ook met de tram naar de centrale bezienswaardigheden van de stad.
Vijf minuten met de tram van het centraal station.
Met de tram reist u in 15 minuten naar het centrum.
Makkelijk om met de tram in en uit de stad te komen.
Kaartjes koopt u in de tram, bij de STCP of in het Trammuseum.
De tram stopt op 100 meter afstand.
Makkelijk bereikbaar met de tram en het openbaar vervoer.
Ik neem de tram wel.
De tram was zo traag
Moest je op de tram wachten?
Het was liefde op het eerste gezicht in de tram. U wilt erover zingen, of niet?
De tram gaat naar Alexanderplatz.
Waarom? Omdat je de tram kon tegenhouden?
Neem de tram, ga naar Montesacro, en wacht daar op mij.
Hij schijnt uit de tram te zijn gevallen.
We zullen de tram moeten nemen.
De tram gaat naar station Alexanderplatz.