Voorbeelden van het gebruik van Feestjes in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik rook alleen op feestjes.
Z'n vrouw geeft feestjes voor jonge kunstenaars.
En feestjes, familie en tradities.
Ik heb die feestjes gegeven om jou te zien.
Ik zie feestjes.
Ganse nachten feestjes!
Behalve op feestjes.
Komen er nog feestjes die ik moet vermijden?
Ga niet naar feestjes met deze jongens.
maar niet op feestjes.
We geven toch feestjes?
Te veel feestjes.
Op feestjes eet ik constant.
Ik weet nog dat feestjes vroeger bestonden uit… bowlen en verjaardagstaarten.
Niet roken, drinken, geen feestjes.
Er zijn tig feestjes.
Legendarische feestjes.
Die feestjes die jij niet leuk vond.
Geen feestjes als ik weg ben.
Hij haat feestjes.