Voorbeelden van het gebruik van Goochelen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
ik mag niet meer goochelen.
Kijk hoe snel je goochelen geleerd hebt.
ik kan goed goochelen.
Maar als ik wil goochelen?
Kun je goochelen?
Kun je goochelen?
Je vader en ik gaan goochelen in Bulgarije. Pontus!
Je kunt toch goochelen?
Wat? Goochelen. Goochelen.
Kun je wat goochelen?
Maar goochelen is m'n ding.
Goochelen is voor homo's.
Blijkbaar is goochelen met je moeder superraar.
Jij vond goochelen toch stom?
Ik heb u zien goochelen met de tronen van Europa.
Ze kan goochelen met springstof.
Wij goochelen hier met miljarden en percentages!
Dat is goochelen.
Acteren, zingen en goochelen.
Het is net goochelen.