Voorbeelden van het gebruik van Handdoek in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Een handdoek voor twee kamers.
Volgens mij had ik om een margarita en een handdoek gevraagd, Pepe.
Die ranzige handdoek is top.
Ik heb een handdoek.
Schat, ik wil een handdoek.
Beddengoed, handdoek, afwasmiddel en spons in de keuken en toiletpapier.
De handdoek droog haar na shamponeren.
Daar ligt een handdoek, daar hangt je badjas.
En vraag niet naar de handdoek.
Zal ik een handdoek voor je halen, of zo?
En ik mijn handdoek.
Een handdoek uit de badkamer.
een hond in een tulband van een handdoek.
Ik pak een handdoek.
Die walgelijke handdoek is een waas.
De eerste haalt zijn handdoek weg.
Handdoek en badkleding in de aanslag?
Bobbi, heb je de handdoek?
Ik legde deze handdoek op je gezicht maar je reageerde niet.
Ik heb een handdoek.