Voorbeelden van het gebruik van Kenteken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik wilde een kenteken dat opgeteld op 9 uitkwam. -Sorry!
Charlie Johnson, met een blauwe Chevrolet. Kenteken uit '74, zit hij in de zaal?
Rijbewijs en kenteken?
Mag ik dat overnemen? Kenteken.
En ik heb hun kenteken.
Die auto heeft een kenteken van buitenlandse zaken, kan je lopen?
Kenteken is gestolen.
Het kenteken is negen, één, William,
noteerde iemand z'n kenteken.
Ik heb een deel van z'n kenteken.
Geen tijd. Ik heb z'n kenteken.
Goed, rijbewijs en kenteken, alstublieft.
Heb je 't kenteken?
Ik heb het kenteken van de pick-up nagetrokken en.
Dat is het kenteken.
Ik heb zijn kenteken.
Is dat uw kenteken? Nee.
Volgens mij is het laatste kenteken van Darontay.
Dat zijn de laatste drie cijfers van z'n kenteken.
Ik controleer het kenteken.