Voorbeelden van het gebruik van Monteur in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik ben zijn monteur.
Lk heb geen monteur nodig.
Zeg me… je vader was monteur?
Maar als je monteur was, was je heel snel werkloos.
John Bowers. Hij was je monteur.
Ik ben monteur.
Ben jij de wasmachine monteur?
Sharon is niet alleen haar monteur. Onze brunch.
Ik kwam Oscar tegen toen ik op de monteur wachtte.
Hij was monteur in de werkplaats en woonde in één van onze huisjes.
We mogen die monteur dankbaar zijn.
Ik ben monteur.
Mijn oudere broer is een monteur.
Hee, ouwe monteur!
Wat is er aan de hand? Een monteur met een auto die het niet doet?
Ik kan geen monteur krijgen.
Ik en elke andere elektricien, monteur en IT'er in de stad.
Wees blij. We mogen die monteur dankbaar zijn.
Ik ben een engelbewaarder, geen monteur.
de kunstenaar… de monteur.