Voorbeelden van het gebruik van Opvrolijken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik wil je opvrolijken.
je kunt me niet opvrolijken.
Je moet hem opvrolijken.
Ik weet iets dat je zal opvrolijken.
Ik ga je opvrolijken. Ja.
Ik heb iets, dat je zal opvrolijken.
Ik wil je alleen maar opvrolijken.
Beroepsmatig moet je ons opvrolijken.
Je hoeft me niet te komen opvrolijken.
Zij konden me altijd opvrolijken.
Ik wilde haar opvrolijken.
En ik dacht dat jij me zou opvrolijken.
Misschien kan ik 'm opvrolijken.
Wil je me opvrolijken?
Geloof me, het zal je opvrolijken.
Omdat ik Austin wil opvrolijken.
Misschien kan hij z'n broertje wat opvrolijken.
Hiermee kan ik mijn pa opvrolijken.
Ik weet iets wat je zal opvrolijken.
Ik zou je graag opvrolijken.