Voorbeelden van het gebruik van Werkster in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
De werkster stopte de stekker in het verkeerde stopcontact.
De werkster vond haar vanochtend.
Ik heb de werkster deze week vrij gegeven.
Onze werkster heet Ivana.
Mrs Quine, de werkster.
Niet slecht voor een werkster.
Op het kerkhof. De werkster is hier ook nog niet klaar.
En dus? Pamela Martins werkster poetste al het zilver met de hand.
Joan Rayner, werkster bij de Darnley's. Maar toen kreeg Perry de zak.
De werkster ontdekte het lichaam vanmorgen en de deur was vanbinnen afgesloten.
Bent u de werkster?
Z'n werkster.
We hebben geen werkster.
Ze was niet onze werkster die we elke dag zagen.
Op het kerkhof. De werkster is hier ook nog niet klaar.
De ruzie die de werkster hoorde, die ging niet over Joel die vreemdging.
Ben jij de werkster?
Tijdens haar studie werkte ze als verkoopster bij de HEMA, werkster, kinderoppas en kantinemedewerkster.
Het was de werkster.
Fran is jouw werkster.
