Voorbeelden van het gebruik van Winkelier in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Bij die winkelier waren z'n vingers eraf.
Die winkelier die je beroofd hebt,
Thomas was een winkelier.
Hij moordde impulsief: de winkelier, de pompbediende.
Thomas was winkelier.
een antiquair… een winkelier, een verpleeghulp.
Een computertechnicus, een winkelier en een dokter.
Praat eerst met de winkelier.
Derek hielp de winkelier.
Gerrard, zijn vrouw Mary, hun diensmeid… Winkelier dhr. en de twee Gerrard kinderen.
Je bent een ex-crimineel met de psychologie van een winkelier.
Ik weet het, de winkelier weet, de honden uitlater weet het.
Een makelaar van 29, een winkelier van 67 jaar oud en twee FBI agenten.
Kunst vereist slachtoffers, en winkelier staat niet op mijn cv.
Hij werd winkelier en fabrieksarbeider.
Winkelier Soon Ja Du dacht dat ze sinaasappelsap wilde stelen.
Winkelier Soon Ja Du dacht dat de 15-jarige Latasha… sinaasappelsap wilde stelen.
Volgens de winkelier sinds gisteravond.
De winkelier op de hoek.
Waarom viel je die winkelier aan? Dank je.