Voorbeelden van het gebruik van Winnen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
we zullen winnen.
Ik weet vrij zeker dat we niets gaan winnen.
We moeten tijd winnen voor Cobb.
Als ik kan winnen, krijg ik misschien terug wat ik kwijt ben.
Ideeën winnen geen campagnes meer.
Of je kunt winnen, en kunnen we Morgenavond drinken.
Winnen, verliezen of onbeslist.
Door die met vlees bedekte robots winnen we tijd.
M'n zoon en ik winnen ieder jaar.
U zegt niet, dat u niet kúnt winnen.
Vergeet niet, we gaven ze elkaar na winnen van 't dubbelspel op Princeton.
Maar winnen is geen beloning
Ik wil winnen, schatje.
Maar je blijft winnen, wat ik ook doe.
Als jullie winnen, verdwijnen we.
Maar winnen of verliezen, ik doe altijd mijn best.
Ik kan ons nog wat meer tijd winnen.
Hij denkt nog steeds dat we kunnen winnen.
Ja. Maar je zult niet winnen.
Scoop: Het winnen van de gehele pot