Voorbeelden van het gebruik van Delegeren in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
De balans houden tussen delegeren en controleren.
zou hij delegeren.
organiseren, delegeren en controleren.
Informatie uitwisselen, de verantwoordelijkheid delen, delegeren.
De kunst van leiderschap is delegeren.
Het heet delegeren.
Je went wel aan het delegeren.
Hij is onze baas niet. Klasse, altijd delegeren.
Monitoring- en rapportagetaken delegeren aan VM-eigenaren.
Dit is inclusief de expansie van aliassen, en het delegeren naar andere sub-programma's.
Zeg tegen hem… dat als hij niet kan delegeren.
Nee, dat was delegeren.
Klik op het tabblad Delegeren op Toevoegen.
Wat ik bedoel is aan iemand anders delegeren.
Uitvoeren, communiceren, delegeren van beslissingen.
Als commissaris kun je dit delegeren.
Tweede regel… delegeren.
Ik was aan het delegeren.
Je moet mensen zoeken waarmee je kunt delegeren.
Het heet delegeren.