Voorbeelden van het gebruik van Ik koken in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Leonard en ik koken de hele dag.
Dat en dat ik kan koken op het werk.
Ik koken, jij naaien.
Wat moet ik koken voor negen mensen?
Moet ik koken?
Moet ik koken?
Moet ik koken? Koken? .
O, dus nu moet ik koken?
Voor hoeveel moet ik koken?
Ja. En dan ga ik daar koken.
Aangebrande eieren met spek kan ik nauwelijks koken noemen.
Volgens Larry kan ik niet koken.