Voorbeelden van het gebruik van Ik koken in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik leer koken.
Hoe kan ik koken met al die helse jingle-jangling?
Mijn vriendin en ik koken vaak thuis.
Mina en ik koken, jij kan bezorgen.
Daar leerde ik eigenlijk koken.
Hoe kan ik nou koken als jij steeds schoonmaakt?
Ik kan koken.
Ik koken, jij naaien.
Kan ik verder koken?
Wat zal ik koken voor vanavond?
O, dus nu moet ik koken?
Sterker nog, waarom ruik ik niets koken?
In die tijd leerde ik koken.
Volgende keer zal ik koken.
Geen gas meer, hoe ga ik dan koken?
Overigens zal ik koken.
Moesten we een blikopener hebben zou ik koken.
Deze keer zou ik koken.
had ik moeten koken en de tuin doen op de koop toe ik denk
