Voorbeelden van het gebruik van Omkleden in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
We kunnen ons omkleden.
Ik zou me beter omkleden.
Ze moet vijf keer omkleden.
Ik had me moeten omkleden.
Niet omkleden.
Dus wanneer ga jij je omkleden?
Ik bedoel moeten we ons niet omkleden?
Voor die tijd moesten we nog eten en ons wederom omkleden.
Ja.- Ik zal me omkleden meteen.
U kunt zich in mijn hut omkleden.
Hoe vaak wil je je omkleden?
Lk had me op 't strand moeten omkleden.
En Gavin is boven zich omkleden.
Ik ga me omkleden.
Ik ga nu douchen en omkleden.
Neem me niet kwalijk, ik ga me even omkleden.
Nee, pa, ga u nu omkleden.
Goed, we gaan ons omkleden.
Nou, ga eerst omkleden, dan.
Um, hij is in de kleedkamer, aan het omkleden.