Voorbeelden van het gebruik van Pissen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ja, ik moet nu pissen.
Oké. Ik moet echt pissen.
Pardon. Ik moet pissen.
En pissen, mag je dat?
En ze pissen de hele tijd!
Op een zakdoek pissen en hem voor je mond houden.
Ik ga even pissen.
Ik ga pissen.
Ja, ik moet nu pissen.
Lk moet pissen.
Pardon. Ik moet pissen.
De keeper was pissen, anders had je niet gescoord.
Aan het pissen, Senator?
Ging pissen in een pub en vergat toen dat hij links moest rijden.
Beter dan pissen, nietwaar, luitenant?
Ik moet even pissen.
Ga zitten. Ik moet pissen.
Lk moet pissen.
Ik liet je over me heen pissen.
Lekker, pissen in de tuin.