Voorbeelden van het gebruik van Tijd doden in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ik moet de tijd doden, voordat ik mijn 2e biertje neem.
De tijd doden.
Ik moet tijd doden terwijl m'n ex het licht ziet.
Wil je alweer tijd doden met dat?
De tijd doden. Lopen.
Tijd doden? Ik ga op bezoek bij.
Tijd doden? Kan dat?
Ik moet tijd doden terwijl m'n ex het licht ziet.
Een beetje tijd doden, Karen.
Even de tijd doden.
Ik moet wat tijd doden.
Ik moet toch wat tijd doden.
Ik moet de tijd doden tot de kustwacht mijn boot komt wegslepen.
Ik moet de tijd doden tot de kustwacht me wegsleept.
Wat tijd doden voordat Mora thuiskomt.
Hoe moeten we anders de tijd doden?
Ik moet de tijd doden.
Laten we samen de tijd doden.
Lopen… De tijd doden.
We moeten de tijd doden.