Voorbeelden van het gebruik van Donderdag in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Donderdag is het lasagne, dinsdag is het hutsepot.
Dus donderdag gaat nog door?
Ik belde haar donderdag. Ik wilde niet te gretig lijken.
Zie je donderdag, Cece.
En donderdag, zonder extra kosten.
Donderdag moet alles geïnstalleerd zijn.
Donderdag in de Metropol.
Iedere Donderdag Meppeldag heeft een eigen thema.
Elke donderdag avond is er een typisch Portugese avond met muziek.
Op de vierde donderdag van november heeft elk jaar het fenomeen van Black Friday plaats.
Open van maandag t/m donderdag en zondag van 10 tot 2 uur.
Deze moeten donderdag ingeleverd worden?
Elke donderdag, zaterdag en zondag is er de markt.
Donderdag 27 februari kunnen de vakbezoekers de beurs reeds bezoeken.
Maandag t/m donderdag: creatieve workshop,
Sluit donderdag vanaf 14:00.
Donderdag vergat Isabel hen af te halen.
Ik wil je donderdag hier, begrepen?
Maar donderdag om 12 uur zal er een kop rollen.
Weet je wat donderdag is?