Voorbeelden van het gebruik van Schoonmaakster in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Je bent erg bijdehand voor een schoonmaakster.
Harriet Fuller werkte als schoonmaakster in uw kantoorgebouw.
Je nieuwe schoonmaakster.
De schoonmaakster zag hem ook.
Waarom praat jij in vredesnaam als onze schoonmaakster?
Ik ben geen schoonmaakster.
Dat is belangrijk voor een schoonmaakster.
papa's schoonmaakster.
Met alle respect, maar je schoonmaakster is niet erg grondig.
Jij en de schoonmaakster.
Ik ben geen schoonmaakster.
Ik was maar de schoonmaakster.
Andrea was Marilyn's schoonmaakster.
Of een Zweedse schoonmaakster.
Dat was de schoonmaakster.
Ze was onze schoonmaakster.
Dat kan ook mijn schoonmaakster.
stierf droeg een uniform, een serveerster of een schoonmaakster.
Mijn moeder was hier de kok en schoonmaakster.
maar niet met de schoonmaakster.