Examples of using Schoenmaker in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Anders denken ze dat-i schoenmaker geweest is.
U bent geen schoenmaker.
Nieuwe regels schoenmaker.
Ik zie dat je schoenmaker ziek is.
Index van de familienaam Wolf Schoenmaker met 2 leden.
Ze dromen zeker van een beroep als schoenmaker.
Zijn vader was een schoenmaker.
zijn vader was schoenmaker en alcoholisme.
Kom hier, schoenmaker.
Ze heeft het couplet met de schoenmaker nog niet gehoord.
Ermen was dochter van een schoenmaker.
1 Anna Schoenmaker.
Ja. Een arts, een smid, een schoenmaker.
Daar hebben we een tandarts, een schoenmaker, verschillende medici.
Andere games zoals fantastische chef-kok: perzik schoenmaker.
Iedere man moet een schoenmaker hebben.
Ik schoenmaker. Vader schoenmaker.
Prijs/kwaliteit 9 Leo Schoenmaker, met het gezin.
Bovendien is een schoenmaker een vakman.
Grootvader schoenmaker.