Voorbeelden van het gebruik van Bankier in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Sophia, ik ben bij de bankier thuis.
Een advocaat, een bankier en een politicus.
Katie Couric's vriend is een bankier geen surfer.
Je bent een bankier.
De bankier heeft gebeld.
Van de vrouw van een Parijse bankier.
Jullie zijn heel slim. Zelfs slimme mensen hebben soms hulp nodig van een bankier.
Een advocaat, een bankier en een politicus.
Ik ben nu een bankier.
Hij is een bankier.
Mr Darling was bankier en wist wat alles kostte, zelfs een knuffel.
Waar is je bankier, Sunderland?
Marisa Pesce, het nichtje van de bankier.
Voor een bankier?
Hoi, ijsjesman. Bankier.
U hebt een levendige verbeelding, voor een bankier.
Boris Chernov, voorheen uit St. Petersburg. Bankier.
Alsof je nog nooit een bankier omgekocht hebt?
Een bankier is hij duidelijk niet.
Herbert was de zoon van een bankier.