Voorbeelden van het gebruik van De grens in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Het is maar drieënhalf uur naar de grens.
De grens, Larsen.
De grens gaat recht omhoog.
Ik kan je naar de grens brengen.
Ik heb de grens overschreden.
Ik breng je naar de grens.
Ik heb de grens nooit overschreden.
Ze sterven aan de grens.
In het noorden hebben we de grens met de Schotten versterkt.
En we kijken naar het noorden, naar de grens.
Indianen komen vrij aan de grens.
Iemand vinden die me naar de grens brengt.
hij op weg is naar de noordelijke grens.
Is het mogelijk om te weten wanneer men de grens bereikt?
Een goede man weet waar de grens ligt.
Nu staan ze bij mij, aan de grens.
Er doen zich ook andere problemen voor aan de grens.
Ik moet naar de grens.
Zelfs Cardassië heeft de grens gesloten.