Voorbeelden van het gebruik van Ik-ik in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik-ik heb Emma nooit bewust aangemoedigd.
Ik-Ik denk dat je over Hanna praat.
Ik-Ik moest het echt laten lijken
Ik-Ik geloof het niet.
Ik-Ik weet wel dat je het goed bedoelt.
Ik-Ik wil echt mijn kleinzoon
Ik-Ik weet het niet.
Ja, ik-ik, heb ook een gebroken hart.
Ik-ik niet.- Ik niet.
Ik-Ik had het je moeten vertellen.
Ik-Ik was niet daar.
Ja, Ik-ik ben het vergeten.
Ik-ik ben pater Michael.
Hey, Ik-Ik kan rijden.
Ik-Ik moet de moeder stoppen met het pijnigen van haar zoon.
Uh, kijk, ik-ik wil gewoon een operatie.
Meneer Holmes, ik-ik.
En ik… dan zeg ik niet tegen haar dat ik-ik van haar hou of dat ik wil met haar trouwen,
Nee, nee, nee, nee, nee. Het spijt me. Hoe kunt u zo I bedoel, Ik-Ik kan niet rondkome.
Nee, Ik-Ik snap alleen niet waarom het jou iets kan schelen wat je vader te zeggen heeft.
