Voorbeelden van het gebruik van Pret in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik heb pret.
Ik gun hem zijn pret.
Na zijn vertrek was het uit met de pret.
En nu begint de pret.
We hadden samen wat pret.
Ik vroeg me al af wanneer de pret zou beginnen.
Wacht is even, bedoel ik pret, of bedoel ik bloedbad?
Celine pret op de achterbank van de mercedes.
Een jongen heeft pret in de sneeuw.
Hebben pret in water in de zomer, het kunstmatige park van het waterthema.
Hebben pret in water in zomer, de menselijk-gemaakt waterpark.
Meeste pret met een machine.
Familiebezit, familie- bedrijf, pret voor de hele familie. Salinger's.
Een minuutje pret, een leven lang werk.
We hadden pret, nietwaar?
Ja, we hadden pret.
Dat wordt dikke pret.
Komaan, je had toch pret.
We hebben pret.
jong hebben pret.