Voorbeelden van het gebruik van Prik in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Het heeft hoge sterkte en krachtige prik weerstand vermogen.
Toe, ik wil geen prik.
Krijgt zij mijn prik?
Begrepen. Als ik er toch ben, wilt u wat prik?
Gewoon een prik, oké? Ja?
Geen prik. Ik wil niet boeren tijdens de uitzending.
Mama krijgt ook een prik.
Net of ik in een schuimpje prik.
Mam pap, Ik wil meer prik.
Kan je me die prik gewoon geven?
Niet zonder prik.
Ja. Gewoon een prik, oké?
We kregen een prik.
Geef je haar nu mijn prik?
Ik wil prik.
Prik ze daar maar mee.
Je moet haar een prik geven.
Een kleine naald- prik!
komt niemand z'n prik halen.
Mam zegt, dat prik gif is.