Voorbeelden van het gebruik van Telefoneren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
ik dat ging doen als ik gedaan met telefoneren met mama.
Inspecteur Bland, u moet direct naar Scotland Yard telefoneren.
Ik moet eerst nog telefoneren.
Ik moet mijn familie telefoneren.
Ze willen telefoneren.
Ik ga dat arme kind telefoneren.
Ze mag niet telefoneren.
Hij gaat telefoneren.
Ik wil telefoneren!
Ik moet even telefoneren.
Mag ik dan nog 's naar huis telefoneren?
Ik moet eerst telefoneren.
Geeft niks. Ik wilde telefoneren.
Ik moet dringend telefoneren.
Kun je zonder te huilen telefoneren, denk je?
Ik moet even telefoneren.
Iemand moet telefoneren.
Alles goed? Ik moet telefoneren.
Matthew zei dat hij zou telefoneren als het niet te laat was.
Jij haat telefoneren.