Voorbeelden van het gebruik van Zoen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Dikke zoen.
Geef een zoen en doe niet zo raar.
Een zoen is luider dan een bom.
Geef 'm een zoen van me!
Jammer. Geen zoen?
Zoen je vader en ga naar bed.
Met diamanten gevulde'zoen' en'omhelzing' in een zetting van witgoud.
Ik wil naar huis, m'n zoon een zoen geven.
Geef me een zoen.
Geen zoen?
Zoen je ogen.
Pap. Krijg ik een zoen?
En we bezegelen onze belofte aan elkaar met een zoen.
Ben je al te groot voor een zoen?
Ik krijg ook geen zoen.
Ik kan niet gaan zonder mijn zoen.
Ja, vooruit. Geef hem 'n zoen.
Een soort zoen.
Arme Jane, je vindt ons vast mal met dat gedoe over onze eerste zoen.
Charles, het was gewoon een zoen.