Voorbeelden van het gebruik van De zus in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Of de zus van m'n broer.
Is dat de zus van Kat?
Is dat de zus van het slachtoffer?
Is dat de zus van Mr Benson?
Zoals de zus van Mr. Frink en zijn nichtje en neefje.
Zoals de zus van Mr. Frink… en zijn nichtje en neefje.
Of de zus van mijn broer.
Is dat de zus van oma Rose die in Treblinka zat?
Is dat de zus van oma Rose die in Treblinka zat?
De zus van een jaloerse kleine gemene rat!
En de zus, Juliana?
De zus die ik nooit had.
Heeft de zus nog iets gezegd?
Laat staan de zus die m'n zus niet is.
Hoe heet de zus?
Ik ontmoette de zus van één van mijn vrienden.
Wel, de zus heeft gelijk.
Zo heette de oudste zus.
De grote zus, die zich om je bekommert?
Ben je de zus van Pierre?