Voorbeelden van het gebruik van Oproken in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Wiet oproken of er hasj of olie van maken.
Niet oproken.
Ga je die oproken of ermee gedachten lezen?
Oproken? Cyrus, ik snap het niet?
Ga je hem oproken of ga je hem terug geven?
Geen gedoe meer met thee maken of het oproken.
De wiet oproken?
Want ik wil echt deze sigaar oproken.
Waar wachten we nog op dat ik dit ga oproken?
Iemand moet ze met me oproken.
Ga je die uiteindelijk oproken, Fet?
Mag ik er daar eentje van oproken?
Dus ik stel voor dat we'm oproken.
Ik wil deze sigaar heel graag oproken, Luitenant.
Om jullie een lesje te leren, laten we jullie de hele zak oproken.
Hij heeft 5 franc gekost. Ik wou hem oproken.
Misschien kun je die oprollen en oproken.
Zodat ik alles kan oproken.
Hij zal toch niet al onze waardevolle sigaretten oproken, hé?
Ik ga mijn sigaret oproken.