Voorbeelden van het gebruik van Pippi in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Pippi is geweldig!
Allemachtig, Pippi.
Het heet Pippi Langkous.
Ik mis je, Pippi.
Pippi bevrijdt haar vader.
Je hebt gelijk, Pippi.
Pippi, wees niet zo'n spelbreker.
Dat weet ik, Pippi.
Op zoek naar Pippi.
Pinguïns, Pippi, praat tegen me.
Pippi Langkous Emil De gebroeders Leeuwenhart.
Leuk pakje, Pippi Langkous.
Hoofdstuk 2: Pippi gaat boodschappen doen.
Belinda, weet jij waar Pippi is?
Ik ga niet naar de verpleegafdeling, Pippi Langkous.
Ze is net zo aantrekkelijk als Pippi Langkous.
Ze houdt haar vork net zo vast als Pippi.
Weten haar ouders wel waar ze is, Pippi?
Dat heb ik altijd met die Pippi Langkous willen doen.
En ze heeft die sarcastische lach van Pippi en mijn humeur.