Examples of using Knap in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Je bent knap voor een oudere man.
Je bent erg knap voor een bankier.
Ze is te knap om je zus te zijn.
Maar hij was ook knap.
Uw moeder is heel knap.
was ze zo knap.
Knap logo ontwerp,
Hij is knap, Pete.
Voor je knap werd, had ik een slimme broer.
Oscar, je bent knap maar… een nietsnut.
Knap, charmant, intelligent… en destructief.
Jij bent niet zo knap.
Maar hij is zo knap.
Ik wil knap zijn. Knap.
Hij is jong, knap en ook revolutionair.
Imitatie: Ron was knap in het imiteren van stemmen.
Knap werk. Doe een wens, Eleanor.
Je bent knap en je verdient het.
Knap, maar het niet waard.
Oscar, je bent knap maar… een onbenul.