Examples of using Leert in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Je leert dingen, Arthur.
Leert je pa jou geen zelfverdediging?
Hector leert me rijden.
U leert me alles. Waarom?
Ze leert veel van films.
Mijn eigen kleinzoon leert mezoeza's verkeerd ophangen.
Hij leert snel.
De zoon leert zijn vader.
Het is erg belangrijk dat je onze manieren leert.
Moeder Hennevanger leert ze rekenen en schrijven.
Wat voor dingen leert hij hem?
U leert me alles. Waarom?
Hij leert zijn plan trekken.
Het is tijd dat je leert dat acties gevolgen hebben. Genoeg.
Rasheed leert Tasneem Urdu en Arabisch.
Hij leert snel.
Beschouw het niet met cynisme wat je nu leert.
Hij leert ons wat zijn licht- en bruineffecten zijn.
Wat voor dingen leert hij hem?
En je leert een kleuter liegen. Je liegt.