Examples of using Ministers in Dutch and their translations into English
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Ministers die een wit voetje halen bij de beveiliger.
Dank u ministers, voor uw aandacht.
Ministers die een wit voetje halen bij de beveiliger.
Bourgeois ministers verdrinken ons in een moeras van oorlog.
Ministers denken niet.- Maar als de minister denkt!
Dat is de schuld van z'n ministers.
De ministers zijn bang dat Zijne Hoogheid wellicht besmet is geraakt.
Frankrijk verliest een van haar beste ministers.
De ministers zijn bang dat Zijne Hoogheid wellicht besmet is geraakt.
Ze bemoeit zich met de oorlog, de ministers en de kunst.
De ministers van oorlog en anderen hebben buiten het paleis zelfmoord gepleegd.
We willen dit bespreken met alle nationale ministers van Defensie.
Dat zien ministers graag.
Dat is waar jonge ministers voor zijn.
Berlijn is veel meer dan belachelijke feestjes en hoogdravende ministers.
Er zijn ministers.
Wat hebben de ministers besloten?
Meneer de president, alle ministers zijn hier.
Wat hebben de ministers besloten?
De menigte ziet ministers komen en gaan in Downing Street.