KARREN - vertaling in Nederlands

wagen
auto
fahrzeug
truck
riskieren
laster
kutsche
karren
lastwagen
transporter
schlitten
kar
wagen
karren
warenkorb
einkaufswagen
cart
seifenkiste
fuhrwerk
rollwagen
karretje
wagen
laufkatze
karren
einkaufswagen
servierwagen
rollwagen
die karre
golfmobil
karren
wagen
karren
warenkorb
einkaufswagen
cart
seifenkiste
fuhrwerk
rollwagen
auto's
wagen
fahrzeug
truck
karre
automobil
PKW
brengen
bringen
fahren
holen
setzen
schaffen
begleiten
mitnehmen
tragen
werden
erwecken
wagens
auto
fahrzeug
truck
riskieren
laster
kutsche
karren
lastwagen
transporter
schlitten
wagentje
auto
fahrzeug
truck
riskieren
laster
kutsche
karren
lastwagen
transporter
schlitten
huifkarren
wagen
planwagen-zug
karren
carts

Voorbeelden van het gebruik van Karren in het Duits en hun vertalingen in het Nederlands

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Ecclesiastic category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Computer category close
  • Official/political category close
  • Programming category close
Sie spannen den Karren vor das Pferd.
U spant het paard achter de wagen.
Wir brauchen schnelle Karren.
We hebben erg snelle auto's nodig.
Dieser Karren ist alles, was mir geblieben ist.
Deze kar is alles dat ik nog heb.
Hundert Karren. Götterknochen,
Honderd wagens. Godsbeen,
Wer hat meinen Karren zerstört? -Das fragst du?
Vraag je dat? Wie heeft m'n wagen vernield?
Er wird auf einen Karren geladen und nach Liliput gebracht.
Hij wordt op een kar geladen en naar Lilliput gebracht.
Haben Sie genug Karren für 500 Insassen?
Heb je genoeg wagens voor 500 gevangenen?
Du da. In den Karren.
Jij, in de wagen.
Bring den Karren zu den Zellen.
Breng 't wagentje naar de cellen.
Ein Karren fuhr auf einer alten Straße.
Een kar reed langs een oude weg.
Die Leute glauben immer, nur Mulis können Karren ziehen.
Veel mensen denken dat alleen ezels wagens kunnen trekken.
kriege ich einen Karren für weniger als fünfundzwanzig.
krijg ik een wagen voor nog geen 25.
Wir können den Karren nicht ohne dich ziehen.
We kunnen de kar niet zonder jou trekken.
Ich hole einen Karren.
Ik haal een wagentje.
Kein Proviant, keine Karren.
Geen proviand, geen wagens.
Vor dem Winter werde ich das Geld für Pferd und Karren haben, und zwar nicht vom Hühnerrupfen.
Voor de winter heb ik een paard en wagen verdiend.
Wenn ich gehe, habe ich meinen eigenen Karren.
Ik krijg straks m'n eigen kar, dus op mij heeft u geen vat.
Ein Springseil, einen Karren und den Schafcontainer.
Een springtouw, een wagentje en het schapenkrat.
Hände auf den Karren.
Handen op de wagen.
Bringt den Karren zurück nach Rom.
Breng deze kar terug naar Rome.
Uitslagen: 212, Tijd: 0.1808

Top woordenboek queries

Duits - Nederlands