Voorbeelden van het gebruik van Afblijven in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Afblijven. Wat is die E?
Kom op. Afblijven.
Alleen kon die vent niet van me afblijven.
En van zijn zakken afblijven!
Wat denk je dat je aan het doen bent? Afblijven.
Afblijven tot we gaan eten.
Afblijven, dat is levensgevaarlijk!
Afblijven. Eigendom van de commandant.
Hij kan vast niet van je afblijven.
Wat heb je voor me?- Afblijven.
Blijf van me af. Afblijven.
Mr Novak. Afblijven.
Afblijven, ze zijn minderjarig.
Hee, vriend… ik heb deze auto gekocht… afblijven.
Ik zou maar van me afblijven.
Die zusters kunnen niet van me afblijven.
Geef me een reden. Afblijven.
Hé, afblijven.
Hé, afblijven.
Nu heb ik er twee die over me heen hangen terwijl ik kook. Afblijven.