Voorbeelden van het gebruik van Analfabeet in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Beroep: arbeider, metselaar, bokser. Analfabeet.
Half de bevolking is analfabeet.
Hij is geen analfabeet.
Onze ouders zijn analfabeet en wij willen hen leren lezen en schrijven.
Ik ben geen analfabeet.
En als je niet geschoold bent, als je analfabeet bent, hoor dan.
Ik heb het vage vermoeden dat mijn leraar Engels analfabeet is.
En weet je, hij is geen analfabeet.
En hij is géén analfabeet.
Analfabeet. Beroep: arbeider, metselaar, bokser.
Ik mag dan analfabeet zijn, maar ik ben niet stom.
Vraag je of ik analfabeet ben?
Ben jij analfabeet?
Ze is ook papa's kind. Analfabeet.-Waarom?
Corbatta was analfabeet en leerde nooit lezen.
Moet je analfabeet zijn voor jouw baantje?
Analfabeet tot haar 20e.
Moet je analfabeet zijn voor jouw baantje?
De Freddy Benjamin is analfabeet en dood.
Ze waren analfabeet.