Voorbeelden van het gebruik van Bezuren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
zul je het bezuren.
zal je het bezuren.
Als ik je ooit nog zie, zal het je bezuren.
anders moet ik het bezuren.
zal hij het bezuren.
Dat zal je bezuren.
zul je het bezuren.
Dat zal je bezuren.
zult u het bezuren.
zul je het bezuren.
Dat zal je bezuren, jongeman!
Geloof me, dat zou je bezuren.
ik zweer het, dat zal je bezuren.
Want de komende tien jaar zul je het elke dag bezuren.
Dat zul je bezuren, Springfield.
Zul je het bezuren.
zul je het bezuren.
Dan zal Sarah het bezuren.
dat zul je bezuren.
zal je het bezuren.