Voorbeelden van het gebruik van Brandschoon in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Mijn huis is brandschoon.
maar hun aderen zijn brandschoon.
En dat is niet brandschoon.
Is z'n huis brandschoon?
Brandschoon. Weet U wie het is? Brandschoon.
De werknemers zijn brandschoon.
Er is flink met bleek schoongemaakt. Brandschoon.
En met schoon bedoel ik brandschoon.
Geweldige gastvrijheid; Heerlijk eten, brandschoon, de kamers en zeer warm;
Al dat geld komt brandschoon bij jou terug.
Hun arbeidsverleden is brandschoon.
Het strand is brandschoon.
de auto is brandschoon.
Goeie motor, weinig kilometers, brandschoon kenteken.
Afgestudeerd als beste van de klas. Brandschoon.
Hij is brandschoon.
Ik wil ze brandschoon hebben.
Ze zegt zelfs dat z'n flat brandschoon is.
De camper was brandschoon.
Iedereen van het ATF-team daar is brandschoon.