Voorbeelden van het gebruik van De bruid in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Hoe is het met de blozende bruid?
De bruid droeg zwart.
U mag de bruid kussen.
Je mag de bruid kussen!
Hij moet de bruid kussen.
Je mag de bruid kussen.
U mag de bruid kussen.
Op de bruid vanochtend.
De bruid is vaak gesluierd.
Je mag de bruid kussen.
U mag de bruid kussen.
Zolang je de bruid of bruidegom niet bent.
Dansen met de bruid.-Mag jij wat?
Vanavond ben ik de bruid. Natuurlijk!
Je bent de bruid van Christus.
De bruid was er nog niet.
De bruid is de zus van m'n ex.
Weduwen mogen de bruid niet zien op haar trouwdag.
Het is voor de bruid, dus.
Ik wil de bruid zien. Nee.