Voorbeelden van het gebruik van De slager in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Naar de slager? Ja, de Mini is bezweken?
Ze noemen haar de Slager.
Morgen moet je naar de slager.
Het is de slager.
Beentjes van bij de slager.
Maar de krantenjongen, de slager en de bakker wisten het niet.
Bij de slager kijkt een kind naar een hond die naar de kippen kijkt.
Nog steeds geen werk bij de slager?
We kunnen ook naar de slager gaan.
Jij bent de Slager.
Leer die en gebruik 'm. Dat is de slager.
De slager en de bakker ook niet.
Je moet meteen terug naar de slager.
Of restjes van de slager.
Stuur hem naar de slager.
Het leek wel op 't vlees dat ik voor de hond bij de slager haal.
Dus je hebt 't vlees bij de slager gevonden?
Ik moet nog naar de slager vandaag.