Voorbeelden van het gebruik van Dougal in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Het is Dougal.
Dougal wist het.
Dougal had gelijk.
Dougal, mijn Demiguise.
En Dougal ook.
Dougal, een woord.
Dat is Dougal MacKenzie.
Dougal, luitenant, genoeg.
Het is Dougal MacKenzie.
Is Dougal getrouwd?
Dougal wil dat wij trouwen.
Goedenavond, vrouwe, Dougal.
Dougal houdt niet van vreemden.
Weet Dougal het?
Dougal werd teruggeroepen naar Leoch.
Dougal zal voor ons komen.
En nu Dougal weggestuurd wordt.
En Dougal neemt zijn deel?
Dougal, je bent vroeg terug.
Maar Dougal spreekt de waarheid.