Voorbeelden van het gebruik van Echtpaar in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Het echtpaar is doodgestoken en werd vanmorgen vroeg gevonden… in hun huis aan het strand.
Het echtpaar Flechtheim uit Wilmersdorf.
Echtpaar: € 1.413 per maand.
Snickers was de naam van het favoriete paard van het echtpaar.
Echtpaar dat samen wakker wordt.
Een echtpaar en hun dochtertje van één.
Frederik Paul Penard(junior) was de oudste van vier zoons van het echtpaar.
Alleen al de aanblik van een interraciale echtpaar was beledigend voor veel mensen.
Dat echtpaar dat vermoord werd in Madrid?
Echtpaar komt om bij auto-ongeluk'?
Cornero was één van de elf kinderen van het echtpaar.
Jong amerikaans echtpaar afgeslacht in madrid.
Het echtpaar werd nooit meer gezien.
Wat zijn de champagnebril van het echtpaar op de bruiloft?
Echtpaar dood in huis aangetroffen.
Ja, een echtpaar met een kind.
Het echtpaar bekijken, ze volgen,
Ontbonden'… Beer Valt Jong Echtpaar Aan.
Erop. Het is een echtpaar, niet?
Laatst aan tafel zaten Billy en Freddy als een oud echtpaar te kibbelen.