Voorbeelden van het gebruik van Erewoord in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ik geef je mijn erewoord.
Ja, mevrouw. Op m'n erewoord.
Op m'n erewoord.
Als je mij je erewoord geeft.
Neergeschoten door mijn eigen artillerie. Erewoord.
Het enige wat een man heeft, is zijn erewoord, nietwaar?
U hebt hun uw erewoord gegeven.
Op je erewoord.
Goed dat jullie zijn gekomen.- Erewoord.
Ik geef je mijn erewoord.
Ik geef u m'n erewoord.
U hebt uw erewoord verbroken.
Ja, eerlijk, groot erewoord.
Erewoord. Erewoord.
Je moet me je erewoord geven.
Heb je je erewoord gebroken?
Omdat ik je m'n erewoord geef.
Het kan geen kwaad om het even te vragen. Erewoord.
Ik wil je erewoord.
Ik wil je erewoord, man.
