Voorbeelden van het gebruik van Feestvieren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Feestvieren is leuk, maar jullie moeten ook weten waarom je hier bent.
Ik hou niet van taart of feestvieren op het werk… of verjaardagen.
Hij wil feestvieren met z'n broer. -Ja.
op het veld en bij het feestvieren.
Feestvieren met vrienden.
Het is leuk om iedereen te helpen bij het feestvieren.
Feestvieren met de steen, is de tweede gaafste tijd.
Feestvieren.- Wat vieren ze?
Ik was aan het feestvieren.
Ik houd er niet van zoals jullie feestvieren.
Hij is aan 't feestvieren.
Wil je niet buiten feestvieren?
We hebben nog één avond waarop we als scholier kunnen feestvieren.
Lucifer? Kom je mee feestvieren?- Dokter?
We moeten vandaag nog feestvieren.
Ze gaan niet feestvieren.
Je moet hier niet zijn. Feestvieren.
Je moet hier niet zijn. Feestvieren.
we voor een keer samen zouden feestvieren.
Met de winst gingen we feestvieren.